terug naar overzicht

Vele apps zijn onvoldoende aangepast aan het Vlaamse curriculum

Leerlijnen

In het voorjaar van 2014 namen we 338 educatieve apps voor tablets onder de loep, en het merendeel van de geëvalueerde apps blijkt helemaal niet te voldoen aan de vooropgestelde noden en vereisten van leraren. De apps maken te weinig gebruik van de mogelijkheden van digitale platformen: de app is vaak niet meer dan een letterlijke, digitale kopie van het papieren tekstboek. Slechts 20% van de apps bevat een combinatie van theorie en oefeningen, en 78% laat geen flexibel traject toe dat is aangepast aan de leercurve van de leerling. Binnen het Vlaamse aanbod speelt 86% van de apps niet in op de nood aan interactie in de klas. De inhoud is ook niet aangepast aan het Vlaamse curriculum en wordt in vele gevallen niet in het Nederlands aangeboden. Ook blijkt dat de meeste educatieve apps er niet op gericht zijn om in een formele klassikale setting gebruikt te worden: vaak ontbreekt er een platform voor leerkrachten, zijn er geen gebruiksrichtlijnen en is de impact op de leermogelijkheden van de leerlingen onduidelijk.

Bij de start van het Edutablet-project, vroegen we aan leraren in focusgroepen hoe de ideale app er voor hen uitzag. Zij gaven aan dat een app hen de mogelijkheid zou moeten geven om leerlingen te laten samenwerken, om interactie in de klas te vergroten, om gedifferentieerd leren mogelijk te maken, en om motiverende oefeningen aan te bieden met game-elementen.

Om na te gaan of het huidige aanbod aan apps deze verwachtingen zou kunnen inlossen, namen we 338 educatieve apps voor tablets onder de loep. De selectie van deze apps gebeurde op basis van wat leraren in tabletscholen in Vlaanderen reeds gebruikten (bevraagd via een vragenlijst), en uit Vlaamse databases zoals Appetijt en Klascement. De apps werden gescreened op basis van een uitgebreid codeboek, en de resultaten van deze screening werden vergeleken met de noden die leraren eerder aangaven.

Bij deze vergelijking stelden we een belangrijke app-gap vast: een kloof tussen het aanbod van apps en wat leraren nodig hebben. Zo merkten we dat 82% van de apps een vaste inhoud aanbiedt, en geen mogelijkheid geeft aan de leraar of de leerlingen om extra onderwerpen of oefeningen toe te voegen. Slechts 20% van de apps geeft de mogelijkheid om oefeningen aan te bieden aan leerlingen, terwijl ze ook nog theorie bevatten. Bijna de helft (46%) zijn theorie-apps: apps die theorie aanbieden maar weinig of geen actieve inbreng verwachten (geen mogelijkheid tot oefenen). Apps die toch oefeningen bevatten, bieden in meer dan de helft van de gevallen (55%) meerkeuzevragen aan, terwijl meer vernieuwende oefeningen die gebruik maken van de opportuniteiten van een tablet zelden voorkomen (een voorbeeld: slechts 3% bevat spreekoefeningen, slechts 9% bevat simulatieoefeningen waarbij een reële situatie wordt gesimuleerd op de tablet (bv. chemie-experimentjes)).

Het grootste deel van de apps (78%) is niet adaptief, en past zich dus niet aan aan het niveau of de leercurve van de leerling. Daardoor helpen ze ook niet om gedifferentieerd leren mogelijk te maken. Binnen het Vlaamse aanbod speelt 86% van de apps niet in op de nood aan interactie in de klas. Ook blijkt dat de meeste educatieve apps er niet op gericht zijn om in een formele klassikale setting gebruikt te worden: vaak is er geen mogelijkheid om een account of profiel te maken voor de leerlingen (80%) en ontbreekt er een platform voor leerkrachten (91%). Bovendien vonden we zelden concrete gebruiksrichtlijnen over hoe de app in een les ingezet kan worden, en is de impact op de leermogelijkheden van de leerlingen vaak onduidelijk. Ten slotte werden de meeste apps niet ontwikkeld door Vlaamse partijen (noch uitgeverijen),  waardoor de inhoud meestal niet aangepast is aan het Vlaamse curriculum en ook niet in het Nederlands wordt aangeboden.



Het is te lang wachten op het materiaal van de uitgever. Daarom maken leraren zelf leermateriaal.

Fransien Vandermeersch, directeur iPadschool Blankenberge

Poll Maker
Bronnen:
  • nodenonderzoek voorjaar 2014